| Bos primigenius primigenius | ||
| Rijk | Animalia (Dieren) |
|
| Stam | Chordata (Gewervelde) | |
| Klasse | Mammalia (Zoogdieren) | |
| Orde | Artiodactyla | |
| Familie | Bovidae | |
| Nederlandse Naam | Oeros, Oerrund | |
| Engelse Naam | Aurochs | |
| Auteur | (Bojanus, 1827) | |
| Taxonomie |
Linnaeus
gaf het Europese gedomesticeerde vee zijn wetenschappelijke naam Bos
taurus Linnaeus, 1758. Hij wist dat de wilde voorvader van
gedomesticeerde runderen in Europa had geleefd en waarschijnlijk nog
steeds leefde, omdat hij "urus" (= oeros) onder dezelfde
soortnaam classificeerde. Linnaeus zag de oeros en het Europese
gedomesticeerde rund als één en dezelfde soort. In de tijd van Linnaeus
was de herinnering aan de oeros bijna helemaal vervaagd. Er was wat
verwarring en discussies over het bestaan van het aantal wilde
rundersoorten in Europa. Sommigen zeiden, zoals Bojanus, dat er slechts
één soort bestond, namelijk de Europese bizon (Bison bonasus).
Anderen zeiden dat er twee soorten bestonden, namelijk de Europese bizon
en de oeros. In het begin van de 19e eeuw werden vele beenderen
van oerossen opgegraven en er bestond één volledig skelet. Aan de hand
van dit skelet beschreef Bojanus een nieuwe soort Bos primigenius Bojanus,
1827. Nu weten wij dat Bos primigenius en Bos taurus van dezelfde soort zijn, dus overeenstemmend met de Code van de International Commission of Zoological Nomenclature (Internationale Commissie op Zoölogische Nomenclatuur) was de wetenschappelijke naam van de oeros Bos primigenius verandert in de naam die door Linnaeus was gegeven Bos taurus door Wilson en Reeder in 1993. Veel wetenschappers hadden kritiek bij de deze verandering van de wetenschappelijke naam van de oeros, zij wilden dat er een uitzondering voor huisdieren (gedomesticeerde dieren) gemaakt werd. In 2003, de International Commission on Zoological Nomenclature besloot tot de instandhouding van het gebruik van 17 soortnamen gebaseerd op wilde soorten, waarvan oudere of even oude namen van gedomesticeerde vormen bestonden. Dit besluit bevestigd Bos primigenius voor de oeros. Taxonomen die het gedomesticeerde rund als ondersoort van de oeros zien kunnen Bos primigenius taurus gebruiken. De naam Bos taurus blijft beschikbaar voor het gedomesticeerde rund wanneer het als een aparte soort wordt gezien. (International Commission on Zoological Nomenclature, 2003) Naast Bos primigenius primigenius zijn er twee andere ondersoorten erkend, namelijk Bos primigenius namadicus Falconer, 1859 en Bos primigenius mauretanicus Thomas, 1881. (Van Vuure, 2003) Er is is een aanzienlijke discussie geweest over de eigenlijke taxonomische status van de verschillende ondersoorten van de oeros. Gebaseerd op schedelonderzoek heeft Grisson (1980) voorgesteld dat Bos primigenius namadicus en Bos primigenius primigenius als aparte soorten geclassificeerd zouden moeten worden. Epstein & Mason (1984) verwierpen dit voorstel en claimden het verschil tussen de ondersoorten niet bijzonder duidelijk is, gebaseerd op de lichaamsgrootte en hoornvorm (beide kunnen beďnvloed zijn door milieu-invloeden). Deze mening wordt ook gedeeld door Zeuner (1963a) en Payne (1991) die stellen dat het geografische leefgebied de basis is van de classificatie en niet de biologische taxonomische status. (Bunzel-Drüke, 2001) |
|
| Kenmerken | Afbeelding:
De Augsburger oeros. Dit schilderij is het kopie van het origineel dat in
het begin van de 19e eeuw aanwezig was bij een handelaar in Augsburg. Het
origineel dateerde waarschijnlijk uit het begin van de 16e eeuw. Van zowel
het origineel als de kopie is niet bekend of ze nog bestaan. (Van Vuure, 2003)
De oeros was veel groter dan de gedomesticeerde runderen van nu. Vroeger ging men er vanuit dat de schofthoogte van een oerosstier ongeveer 200 cm was en die van een koe 180 cm was (Herre, 1953). Nu heeft men aan de hand van de lengte van de humerus (opperarmbeen) berekend dat de schofthoogte van een oerosstier waarschijnlijk varieerde tussen 160 en 180 cm en die van de oeroskoe rond 150 cm. De vachtkleur van de oeros was bij de stier zwartbruin tot zwart, met een smalle lichte aalstreep over de rug. De koe was net zoals de kalveren roodbruin. Zowel de stier als de koe bezaten waarschijnlijk een lichte zone rond de snuit. De hoorns van de oeros stonden naar voren gericht en waren naar binnen gekromd. Hoewel de hoornvorm zeer karakteristiek was, was er wel enige variatie in de lengte, dikte, mate van kromming en stand ten opzichte van het voorhoofd. De uier van de oeros was klein en nauwelijks zichtbaar. (Van Vuure, 2003) |
|
| Leefwijze | De oeros leefde in gemengde groepen van koeien, kalveren en jonge stieren met daarnaast kleine groepen oudere stieren en solitaire (alleen levende) oude stieren (Van Vuure, 2003). | |
| Leefgebied & Verspreiding | De
oeros (Bos primigenius Bojanus, 1827) had ooit een verspreidingsgebied
dat bijna geheel Europa, grote delen van Azië en Noord-Afrika betrof (zie
kaartje hieronder). De
oeros bestond toen nog uit 3 ondersoorten, namelijk Bos primigenius namadicus Falconer, 1859 die voorkwam in India, de
Bos primigenius mauretanicus Thomas, 1881 uit Noord-Afrika en natuurlijk de
Bos primigenius primigenius Bojanus, 1827 uit Europa en het Midden-Oosten.
Alleen de Europese ondersoort heeft het overleefd tot in recente tijden,
dat is dan ook de oeros waar we het hier over hebben (Van Vuure, 2003).
Het landschap waar de oeros in Europa leefde bestond uit uitgestrekte bossen afgewisseld door verschillende soorten moerassen. Op grond van botvondsten en oude beschrijvingen lijkt de oeros vooral voorgekomen te hebben bij moerassen en moerasbossen, zoals rivierdalen, rivier delta’s, kwelders en andersoortige moerassen. Naast moerasbossen zal de oeros ook de wat minder natte bossen bewoond hebben. In Europa heeft mogelijk een bepaalde scheiding bestaan tussen de biotoop van de oeros en de eveneens daar levende wisent (Bison bonasus). De oeros leefde in de wat nattere bossen en de wisent in de wat drogere bossen. Ook zal er zeker een overlappinggebied bestaan hebben (Van Vuure, 2003). Niet iedereen is het er over eens dat de oeros leefde in bossen en moerassen. Dr. Frans Vera claimt dat de oeros leefde in open grasland. |
|
| Voedsel | In het voorjaar en de zomer at de oeros zeer waarschijnlijk overwegend grassen en grasachtigen, aangevuld met kruiden en bladeren van bomen en struiken. In de Herfst at men wat minder grassen en wat meer van bomen en struiken. Dit werd aangevuld boomvruchten, zoals eikels. Tijdens de winter werd er naast grassen, grasachtigen en kruiden een belangrijk deel van hun voedsel ingenomen door takken en in mindere mate door bast van bomen en struiken. De laatste populatie oerossen uit Polen in de bossen van Jaktorów werd in de winter bijgevoerd met hooi. (Van Vuure, 2003) | |
| Voortplanting | De paartijd en dus ook de tijd waarin de kalveren geboren werden was tijdens een bepaalde periode van het jaar. In Polen (waar de laatste oerossen leefde) viel de paartijd in de nazomer, waarschijnlijk in augustus en september. De kalveren werden geboren in het late voorjaar, waarschijnlijk in mei en juni. De volwassen stieren trokken kort voor en tijdens de paartijd naar de gemengde groepen om daar de koeien te dekken. (Van Vuure, 2003) | |
| Geschiedenis & Populatie |
De
eerste herkauwers (waartoe de oeros ook behoorde) ontstonden ongeveer 40
miljoen jaar geleden. Door de uitbreiding van savannen en graslanden op
aarde ontstonden zo’n 25 miljoen jaar geleden de op gras-eten ingestelde
herkauwers. De oudste vertegenwoordiger van het geslacht Bos is Bos
acutifrons Lydekker, 1898. Aangenomen wordt dat uit deze soort alle
later soorten van het geslacht zijn voortgekomen. Bos acutifrons
leefde tot in het midden van het Pleistoceen nog in India. Tussen 1,5 en 2
miljoen jaar geleden ontstond uit deze soort waarschijnlijk de oeros.
(Van
Vuure, 2003)
Foto: oeros afgebeeld in de grotschilderingen in Lascaux, Frankrijk. Informatie
over het voorkomen van de oeros in Azië is behoorlijk schaars. De midden-
en Oost-Aziatische populaties van de oeros stierven zeer waarschijnlijk al
in het Pleistoceen uit, hoewel er in Voor-Indië toch bijna zeker wel nog
een populatie overleefd moet hebben, aangezien in die omgeving de
gedomesticeerde zeboe in ontstaan (de zeboe werd al afgebeeld door de
Mohenjo-Darocultuur rond 4000-2000 v. Chr.), men kende toen ook al andere
runderrassen die meer op de westelijke rassen leken. Net zoals in Azie is
er ook wel weinig informatie over het voorkomen van de oeros in het Midden
Oosten en Noord-Afrika, maar gelukkig wel wat meer. Het laatste voorkomen
van de oeros in Egypte wordt wel eens bepaald aan de hand van een
jachtpartij van farao Ramses ll in 1197-1165 v. Chr., maar die jacht bleek
gehouden te zijn in Noord-Mesopotamië. Uit Mesopotamië zijn vele
afgebeelde jachtpartijen bekend. De jongste melding van oerossen uit die
regio komt van een jachtpartij op ‘wilde runderen’ door de Assyrische
koning Senacherib (704-681 v. Chr.) in Noord-Mesopotamië. In Libië is
een melding bekend van de Griekse geschiedschrijver Herodotus (± 485-425
v. Chr.), die daar de aanwezigheid van runderen vermelde die vanwege hun
omgebogen horens gedoemd waren achteruit lopend te grazen (‘Historiën’,
Boek lV, Hdst 183). Men is alleen niet zeker of het hier ook echt om
oerossen gaat. Men kan dus zeggen dat in het Midden-Oosten en Noord-Afrika
de oeros in de loop van het eerste millennium v. Chr. is verdwenen.
(Van
Vuure, 2003) Het
proces van achteruitgang en verdwijning van de oeros in Europa verliep
vanaf Zuid- en West-Europa naar het noordoosten toe om uiteindelijk in
Polen te eindigen. In de zuidelijke delen van Europa, zoals Spanje,
Midden- en Zuid-Italië en de zuidelijke Balkan, is noch uit botvondsten,
noch uit toponiemen (namen van plaatsen, rivieren, etc.) of beschrijvingen
momenteel goed op te maken tot in welke periode de dieren daar nog in het
wild voorkwamen. In Engeland zijn geen latere vondsten bekend dan ongeveer
1300 v. Chr. (de vroege bronstijd). In Italië werd nog rond 30 v. Chr.
door Vergilius vermeld dat er in het noorden van Italië nog ‘wilde
oerossen’ aanwezig waren die daar werden gevangen om getemd te worden.
Doordat de Romeinen grote moeite werd gedaan om wilde dieren (waaronder de
oeros) te vangen en te transporteren naar Rome en andere steden voor
arenagevechten met vermoed worden dat de oeros in het begin van onze
jaartelling in Italië uitgestorven is. In Denemarken verdween de oeros
eerder op de eilanden dan op het vasteland (Jutland), namelijk ongeveer
rond 5500 v. Chr. In Jutland, het vasteland van Denemarken, verdween de oeros
rond het begin van onze jaartelling. In Nederland zijn geen vondsten van
de oeros na de periode van de Romeinen (na 400 na Chr.) meer bekend. In
België kwamen wel oerossen voor, maar een landelijk systematisch
overzicht van oerosvondsten ontbreekt nog. In Frankrijk jaagde Karel de
Grote bijvoorbeeld in 802 nog op een oeros ‘met reusachtige horens’.
Mogelijk wisselde er nog lange tijd oerossen vanuit Duitsland naar
Frankrijk of vanuit Zwitserland, waar de oeros nog rond het jaar 1000
vermeld werd. Volgens een beschrijving van Adam van Bremen zou de oeros
nog in de 11e eeuw in Zweden voorgekomen hebben, maar men is
niet zeker of dit waarheid is of uit volksverhalen komt. Aaris-Sřrensen
(1999) stelt het uitsterven van de oeros in Zweden op 4500 v. Chr., veel
vroeger dus. We weten in ieder geval zeker door een vermelding van Olaus
Magnus dat de oeros in het jaar 1555 niet meer in Zweden voorkwam. In
Rusland is de oeros waarschijnlijk in de 12e of 13e
eeuw uitgestorven. In Hongarije dateert de laatste botvondst uit de 12e
eeuw, waarschijnlijk is de oeros voor 1250 uitgestorven. In Duitsland zijn
nog betrouwbare meldingen van oerossen tussen 1406 en 1408 bewaard
gebleven.
De
allerlaatste oerossen overleefden alleen nog in Polen. In 1476 kwamen de
twee laatste oerospopulaties in het bezit van de Koninklijke Familie, dat
deze in bezit waren geweest van de Hertog van Mazovië. In de tweede helft
van de 16e eeuw kwam de oeros alleen nog maar voor in de bossen
van Wiskitki en Jaktorów. Het eerste inspectieverslag dat het aantal
oerossen noemt, stamt uit 1564. Er kwamen toen nog maar 38 oerossen voor,
namelijk 22 koeien, 3 jonge dieren, 5 kalveren en 8 stieren. In het jaar
1566 waren er nog maar 24 oerossen. Documenten uit 1602, 1620 en 1630 gaan
allen nog maar over oerossen in het bos van Jaktorów. Het
inspectieverslag uit 1602 vermeld nog maar 4 dieren, namelijk 3 stieren en
nog maar 1 koe. In 1620 stierf de laatste oerosstier en toen was er nog
maar 1 koe over. In het inspectieverslag van 1630 staat vermeld: ‘In het
vorige verslag [uit 1620] is er geschreven dat er 1 koe was, maar nu
zeiden de bewoners van dit dorp [Jaktorów], dat zij 3 jaar geleden is
gestorven’. De allerlaatste oeros is dus in 1627 gestorven. (Van
Vuure, 2003) |
|
| Oorzaak Uitsterven | De achteruitgang en het uitsterven van de oeros is door de mens veroorzaakt. Dit gebeurde door middel van jacht, maar ook door verdringing van zijn voedselgronden door huisvee. Uiteindelijk zijn de allerlaatste oerossen in Polen ten onder gegaan door een combinatie van desinteresse, corruptie, runderziektes, voedselconcurrentie (door huisvee) en in mindere mate jacht. (Van Vuure, 2003) | |
| Beschermingspogingen | In de Centraal-Polen in de bossen bij het dorp Jaktorów is enkele eeuwen lang een goed georganiseerd beheer gevoerd, waarin de oeros centraal stond. In het begin waren de oerossen daar hertogelijk bezit en later werd dat koninklijk. De oerossen werden daar beschermd en werden in de winter bijgevoerd. De op zich bekwame koningen Zygmunt I en zijn opvolger Zygmunt August hadden geen grote belangstelling voor de jacht en deden daardoor ook niet veel om de koninklijke jachtobjecten te behouden. Het gevolg daarvan was dat de koninklijke greep op de bescherming van de oeros steeds meer verslapte. Na 1572 brak er in Polen een zeer onrustige tijd aan, waarin verschillende koningen elkaar in korte tijd opvolgden en er veel binnenlandse strijd was. De organisatie van de bescherming van de oeros werd steeds meer uitgehold en de invloed van de koning verminderden ook sterk. Toen in 1604 er nog maar enkele oerossen over waren werd er in een koninklijk decreet werd verordonneerd dat alles gedaan moest worden om de oerossen en zijn leefgebied te beschermen, maar dat heeft helaas dus niet geholpen. | |
| Selectief fokken |
De
Poolse zoöloog Jarocki pleitte er in een artikel uit 1835 al voor om een
poging te ondernemen om de oeros weer in zijn oorspronkelijke vorm terug
te krijgen, maar het duurde nog bijna 100 jaar voordat en ook
daadwerkelijk begon met een poging om de oeros terug te fokken. De broers
Lutz en Heinz Heck hebben in jaren ’20 en ’30 van de 20e
eeuw in Duitsland pogingen in het werk gesteld de oeros te doen herleven.
De twee broers deden dit beide door verscheidene runderrassen, die volgens
hen oeroskenmerken bezitten, met elkaar te kruisen en de nakomelingen
daarvan te selecteren. Lutz en Heinz gebruikte hiervoor ieder een eigen
selectie van rassen. Heinz
begon zijn experiment in de dierentuin Hellabrunn in München. Lutz
begon wat later dan zijn broer met zijn experiment in Berlijn. Het
resultaat van hun experimenten om de oeros terug te fokken was naar eigen
zeggen zeer snel bereikt de teruggefokte oeros (Heckrund) was volgens hen
zeer gelijkend met de echte oeros. De Heckrunderen van Lutz werden door
hem in grote natuurgebieden in het wild in Duitsland en Polen uitgezet,
maar Heinz heeft zijn Heckrunderen uitsluitend in dierentuinen en kleine
wildparken gehouden. Zeer waarschijnlijk hebben de Heckrunderen van Lutz
de 2e Wereldoorlog niet overleefd en zijn nu alleen de
heckrunderen van Heinz overgebleven. Na de oorlog hebben individuele
fokkers, naar eigen (vaak verkeerde) inzicht, zich met de verdere fok van
Heckrunderen beziggehouden. Nu kan men op veel plaatsen Heckrunderen
vinden, waaronder in dierentuinen en natuurparken.
Al
vrij snel na het ontstaan van de heckrunderen kwam er kritiek op zowel de
uitvoering van het terugfokexperiment als het resultaat ervan. De kritiek
richtte zich vooral op het beeld dat de broers Heck zich van de oeros
hadden gevormd en dat ontstaan was uit een mengeling van waarheid en
vooral fantasie. Er was zelfs een verschil van mening tussen de broers
over hoe de oeros er uitzag. Daarnaast was er kritiek op de wijze waarop
gefokt en geselecteerd was en op de snelheid waarmee het eindresultaat
werd bereikt, Heinz heeft er hooguit 12 jaar over gedaan en Lutz deed er
hooguit 11 jaar over. De selectiecriteria waren vaag en ruim gesteld en is
geen goede administratie van de kruisingen bijgehouden. Het
terugfokexperiment van Lutz en Heinz Heck wordt zodoende gekenmerkt door
een ondeskundige en ondoorzichtige manier van werken. Als
we nu het Heckrund en de oeros vergelijken, dan zien we dat er weinig
overeenkomsten tussen de twee bestaan. Alleen in de kleur van de vacht is
bij sommige Heckrunderen overeenkomsten te zien,
maar er komen ook soms heckrunderen voor met een verkeerde
vachtkleur door de nog aanwezige recessieve kenmerken afkomstig van de
gebruikte gedomesticeerde Europese runderrassen. Andere kenmerken, zoals
hoornvorm en lichaamsgrootte, komen niet overeen. |
|
| Museum Exemplaren | Van
de uitgestorven oeros zijn op dit moment alleen maar vele losse beenderen,
15 meer of minder complete skeletten, een aantal hoorns en een bosje haren
bewaard gebleven. Er zijn geen zachte weefsel meer, zoals spierweefsel of
huid.
(Van
Vuure, 2002)
In het Nationaal Museum van Denemarken (Nationalmuseet) is een compleet oerosskelet te zien, de Vig-oeros. Dit bijna twee meter hoge oeros was verwond door scherpe vuurstenen speerpunten van jagers uit de steentijd, maar was niet gedood. De cirkels in de foto laten zien waar het dier verwond was door de speren. De oeros vluchtte weg van de jager in een meer in Odsherred waar het naar de bodem zonk en stief. De oeros stierf rond 8600 v. Chr., maar het skelet was pas gevonden in 1905. Het skelet van een andere oeros werd vlakbij de vindplaats van de andere gevonden in 1985. Andere resten van de oeros zijn onder andere te vinden in het Natuurmuseum Groningen (Groningen, Nederland), Zeeuws Museum (Middelburg, Nederland), Rosensteinmuseum (Stuttgart, Duitsland). Kent u nog meer museum exemplaren? Stuur ons dan een e-mail! |
|
| Verwanten | De meest naaste verwanten van de oeros zijn natuurlijk de gedomesticeerde afstammelingen, namelijk de Europese gedomesticeerde huisrunderen (Bos primigenius taurus) en dan met name de Spaanse vechtrunderen. Hoewel de verwantschap tussen de verschillende soorten van de rundergroep (Bovini) nog niet volledig verklaard is, is de oeros verder waarschijnlijk het meest verwant aan de gaur (Bos frontalis) en de banteng (Bos javanicus). | |
| Web Links |
Research into the Aurochs (Onderzoek naar de Oeros). BBC
- Nature Wildfacts - Aurochs, wild ox, wild cattle, giant ox. Department
of Environmental Archaeology – Institute of Archaeology – Warsaw
University.
National
Museum of Denmark (Nationalmuseet). |
|
| Forum Links |
The Extinction Forum - Extinct Hooved Mammals - AUROCHS The Extinction Forum - Selective Breeding - Tarpan and Aurochs back?? The Extinction Forum - Selective Breeding - Colour reconstruction of the aurochs. |
|
| Artikelen |
Grisson, C. 1980 The craniology and relationships of four species of Bos. 5. Bos indicus L. J. Arch. Sci., 7: 3-32. MacHugh, D.E. 1996. Molecular Biogeography and Genetic Structure of Domesticated Cattle [Ph.D. thesis]. University of Dublin. Website (met artikel in pdf)
Vuure,
T. van. 2002. Historie, morfologie en ecologie van de oeros (Bos taurus
primigenius) Lutra 45-1. |
|
| Boeken |
Fokkinga, A. Felius. M. 1998. Koeboek. Stam Techniek, Houten. Vuure, C. van. 2003. De Oeros - Het spoor terug. Wetenschapswinkel Wageningen UR, Wageningen. Vuure, C. van. 2005. Retracing the Aurochs: History, Morphology and Ecology of an Extinct Wild Ox. Pensoft. Sofia-Moscow.
Cis van Vuure geeft in zijn rijk geďllustreerde boekwerk een beeld van de oeros zoals het niet eerder is beschreven. Hij schetst een zo compleet mogelijk beeld van een van de grootste Europese zoogdieren van na de laatste IJstijd. Zijn multidisciplinaire aanpak sluit daarbij grote lacunes uit en geeft bovendien aan welke waarde het terugfokken van de oeros (zoals Heck-runderen) uit de bestaande rassen vertegenwoordigt. Na jarenlang onderzoek startte het schrijfwerk in april 1998 en eindigde in april 2000. Uiteindelijk is het in 2003 gelukt het onderzoek in de vorm van een mooi, geďllustreerd boek uit te geven. Het omvat 348 pagina's, ± 100 afbeeldingen en is in kleur. De prijs is € 15,- (excl. verzendkosten). Het boek ('De oeros - het spoor terug') is te bestellen bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel (emailadres: martine.lejeune@lin.vlaanderen.be ) |
|
|
Laatst bijgewerkt op: 24 december 2005. Deze pagina is een deel van The Extinction Website. © 2005. |
||